Interview Richard Otto (Spreekbuis.nl) over onderzoeksproject ‘Buiten de Bubbel’

Interview Richard Otto (Spreekbuis.nl) over journalistiek onderzoeksproject ‘Buiten de Bubbel’
Buiten de Bubbel is een journalistiek onderzoeksproject, en uitgave, van uitgeverij Spreekbuis.nl uit Hilversum. Het is opgezet door Ton Verlind, Puck van Westerloo en Richard Otto. Het project brengt de opkomst en invloed van alternatieve media in Nederland in kaart en onderzoekt welke betekenis deze ontwikkeling heeft voor de journalistiek. Een interview met Richard Otto van Spreekbuis.nl:
1. Wat is precies de link tussen alternatieve media, algoritmische sturing en het opereren ‘buiten de bubbel’?
Alternatieve media opereren buiten de traditionele institutionele bubbel van omroepen, uitgevers en hoofdredacties. Dankzij sociale media, podcasts, nieuwsbrieven en videoplatforms kunnen makers rechtstreeks een publiek bereiken, zonder eerst toestemming of toegang te krijgen van de oude poortwachters.
Dat betekent echter niet dat zij volledig onafhankelijk zijn. De oude poortwachters zijn deels vervangen door nieuwe: YouTube, TikTok, Instagram, X, Spotify, zoekmachines en betalingsplatforms. Hun regels en algoritmes bepalen mede welke makers zichtbaar worden, welke video’s worden aanbevolen en met welke inhoud inkomsten worden gegenereerd. Een verandering in een algoritme, demonetisering of beperking van een account kan direct gevolgen hebben voor het bereik en de inkomsten.
‘Buiten de bubbel’ betekent daarom vooral: buiten de vertrouwde institutionele mediawereld kijken, oftewel buiten de traditionele media, die sommigen ook wel de ‘mainstreammedia’ noemen. Het betekent niet automatisch dat makers ook ontsnappen aan digitale filterbubbels. Zij kunnen onderwerpen en publieksgroepen bereiken die traditionele media missen, maar tegelijkertijd afhankelijk worden van engagement, platformregels en de verwachtingen van hun eigen achterban, zoals donateurs. Het rapport noemt onafhankelijkheid daarom zowel een journalistiek als een technologisch en economisch vraagstuk.
2. Waarom hebben alternatieve media volgens het onderzoek een blijvende plek veroverd in het Nederlandse medialandschap?
Hun opkomst berust volgens ons rapport op structurele veranderingen en niet op een tijdelijke hype. Productiekosten zijn lager geworden, distributie is direct toegankelijk en makers kunnen via donaties, abonnementen, memberships en crowdfunding een eigen verdienmodel opbouwen. Tegelijkertijd verschuift het nieuwsgebruik, vooral onder jongeren, van vaste nieuwsmerken naar sociale media, personen en feeds. Daarnaast vullen deze makers gaten die een deel van het publiek bij traditionele media ervaart. Zij behandelen onderwerpen die volgens hun volgers worden onderbelicht, spreken in een directere en persoonlijkere toon en zijn vaak zichtbaar in politieke, maatschappelijke of lokale werelden waarin grote redacties minder aanwezig zijn. Vertrouwen ontstaat daardoor niet alleen vanuit een instituut, maar ook vanuit een langdurige relatie met een herkenbare persoon. Ook combineren zij korte, deelbare fragmenten met lange podcasts, interviews, livestreams en nieuwsbrieven. Daarmee weten zij zowel aandacht te trekken als een hechte gemeenschap op te bouwen. Hun blijvende positie komt dus voort uit een combinatie van veranderend mediagedrag, persoonlijk vertrouwen, technologische toegankelijkheid, ondernemerschap en onvrede over blinde vlekken bij gevestigde media.
3. Welke invloed hebben newsfluencers en zelfstandige makers op traditionele omroepen, kranten en uitgevers?
Newsfluencers en onafhankelijke makers concurreren in de eerste plaats om aandacht, vertrouwen en agenderingsmacht. Vooral jongeren komen nieuws steeds vaker tegen via een persoon in hun feed en niet rechtstreeks via de app, website of uitzending van een nieuwsorganisatie. Hierdoor wordt de persoonlijke maker soms belangrijker dan het journalistieke merk. Hun invloed is daarnaast indirect. Onderwerpen die bij zelfstandige makers beginnen, kunnen leiden tot Kamervragen, discussies in talkshows, correcties, krantenartikelen of veranderingen in politieke framing. Alternatieve media functioneren vaak als commentaarlaag, correctiemechanisme of tegenpubliek boven op de agenda van traditionele media. Zij staan dus niet volledig los van de traditionele media: veel makers reageren juist voortdurend op kranten, journaals, talkshows en Kamerdebatten. In sommige gevallen zijn zij zowel actief in de traditionele als in de alternatieve media. Voor traditionele media vormen zij bovendien een spiegel. Zij dwingen omroepen en uitgevers na te denken over hun toon, sociale en politieke diversiteit, onderwerpkeuze, online presentatie en afstand tot het publiek. Wanneer traditionele nieuwsmerken zich van een platform terugtrekken, zoals volgens het rapport op X is gebeurd, ontstaat bovendien extra ruimte voor makers die daar wel actief blijven. De invloed is daarom zowel concurrerend als corrigerend. Newsfluencers nemen aandacht over, agenderen andere onderwerpen en zetten gevestigde media ertoe aan sneller, persoonlijker en platformgerichter te werken.
4. Hoe kunnen journalistieke betrouwbaarheid en onafhankelijkheid bij alternatieve media beter worden beoordeeld?
In het rapport geven we aan dat betrouwbaarheid niet moet worden vastgesteld op basis van het etiket ‘traditioneel’, ‘alternatief’, ‘YouTuber’ of ‘influencer’. Beoordeling moet plaatsvinden per maker, productie, methode en correctiepraktijk. Daarbij moet eerst worden gekeken naar de functie die een maker vervult: informeren, controleren, duiden, mobiliseren, amuseren, satiriseren of een combinatie daarvan. Een satirisch programma kan niet met exact dezelfde meetlat worden beoordeeld als een maker die claimt journalistiek onderzoek te doen of rechtbankverslaggeving te bedrijven.
Belangrijke beoordelingspunten zijn bijvoorbeeld of duidelijk is wat feit, analyse, opinie, activisme, satire of reclame is, welke bronnen worden gecontroleerd, of betrokken partijen om een reactie worden gevraagd, of zichtbaar is hoe fouten kunnen worden gemeld en hoe correcties worden gepubliceerd. Onafhankelijkheid betekent daarbij niet alleen de afwezigheid van een omroepdirecteur of uitgever.
Ook donateurs, abonnees, sponsors, algoritmes en platformbedrijven kunnen druk uitoefenen. Een maker kan dus institutioneel onafhankelijk zijn, maar tegelijkertijd sterk afhankelijk zijn van zijn publiek of distributieplatform.
5. Wat kunnen traditionele media, opleidingen en brancheorganisaties leren van de werkwijze van online makers?
Traditionele media kunnen vooral leren hoe online makers nabijheid, herkenbaarheid en een directe relatie met hun publiek creëren. Succesvolle makers begrijpen dat inhoud en verpakking niet los van elkaar staan. Titels, thumbnails, montage, fragmenten en distributie zijn geen sluitstuk, maar bepalen mede of journalistieke inhoud het publiek bereikt. Korte video’s kunnen daarbij dienen als ingang naar lange interviews, podcasts of achtergrondverhalen. Ook hun ondernemerschap is leerzaam. Makers testen snel nieuwe formats, gebruiken meerdere platforms, onderhouden zelf hun community en combineren journalistiek met presentatie, productie, marketing en publieksanalyse. Zij bouwen bovendien rond gespecialiseerde onderwerpen soms meer kennis en betrokkenheid op dan brede redacties kunnen organiseren. Traditionele media moeten volgens het rapport echter niet simpelweg de engagementlogica kopiëren. Zij kunnen platformnative werken zonder ‘platformslaafs’ te worden. Hun meerwaarde blijft liggen in verificatie, hoor en wederhoor, correcties en een duidelijke scheiding tussen nieuws, opinie en commercie.
Voor journalistieke opleidingen volgt daaruit dat platformkennis, audiovisuele productie, ondernemerschap, communitymanagement en verdienmodellen structureel naast broncontrole en journalistieke ethiek moeten worden onderwezen.


